Verstrenging van de DBI-voorwaarden en de bredere gevolgen voor de praktijk

De regels rond de definitief belaste inkomsten (DBI) zijn de voorbije maanden ingrijpend gewijzigd.
Met de programmawet van 18 juli 2025 heeft de wetgever de toegang tot het DBI-stelsel aanzienlijk verstrengd, waardoor de fiscale behandeling van aandelenparticipaties en beleggingen via vennootschappen opnieuw ter discussie staat.

Een van de belangrijkste wijzigingen betreft de minimumparticipatievoorwaarde. Voor deelnemingen die minder dan 10 % vertegenwoordigen maar een aanschaffingswaarde hebben van minstens 2,5 miljoen euro, volstaat die drempel niet langer. Voortaan moeten dergelijke participaties in principe ook de aard hebben van financiële vaste activa, tenzij de aandeelhouder een kleine vennootschap is. Hierdoor krijgt de boekhoudkundige kwalificatie van een deelneming een veel grotere fiscale impact dan voorheen.

Daarnaast hebben recente administratieve standpunten en ministeriële verduidelijkingen nieuwe vragen opgeroepen over de concrete toepassing van deze voorwaarden. Wanneer kwalificeert een participatie werkelijk als financieel vast actief? Welke bewijsstukken zijn daarbij van belang? En hoe moeten familiale investeringsvennootschappen of holdings met minderheidsparticipaties deze nieuwe regels benaderen? Wat is de impact van een andere kwalificatie dan deze van financieel vast actief? Een participatie die als belegging wordt gekwalificeerd zal immers niet alleen leiden tot belastbare dividenden maar ook tot het verlies van de vrijstelling van de meerwaarden, aangezien deze vrijstelling afhankelijk is van het voldoen aan de DBI-voorwaarden.

De recente verstrengingen van het DBI-regime blijven echter niet beperkt tot de voorwaarden voor aftrek. Sinds aanslagjaar 2026 geldt in bepaalde gevallen een nieuwe afzonderlijke heffing van 5 % op vrijgestelde meerwaarden op DBI-aandelen. Deze maatregel heeft een rechtstreekse impact op de fiscale aantrekkelijkheid van beleggen via een vennootschap en vereist een hernieuwde evaluatie van bestaande structuren en investeringsbeslissingen. De nieuwe heffing toont aan dat meerwaarden die van oudsher als fiscaal vrijgesteld werden beschouwd, in de praktijk toch gedeeltelijk belast kunnen worden. 

Ook de rechtspraak blijft het DBI-landschap grondig beroeren. Zowel het Europees Hof van Justitie als de Belgische rechtbanken hebben zich recent uitgesproken over de verenigbaarheid van bepaalde Belgische DBI-regels met de Moeder-Dochterrichtlijn. Vooral de verhouding tussen de DBI-aftrek en de groepsbijdrageregeling heeft geleid tot belangrijke arresten die de bestaande praktijk in vraag stellen en mogelijk aanleiding geven tot verdere aanpassingen van de Belgische wetgeving.

U krijgt tijdens dit seminarie een helder en praktijkgericht overzicht van alle evoluties inzake het DBI-stelsel. Er wordt uitgelegd in welke gevallen een participatie nog kwalificeert voor het DBI-stelsel, welke risico’s verbonden zijn aan de aangescherpte voorwaarden en hoe u zich hierop kan voorbereiden. Daarbij krijgt u o.a. een antwoord op volgende vragen:

  • Wanneer kwalificeert een participatie vandaag nog als financieel vast actief?
  • Welke rol spelen intentie, invloed en langetermijnstrategie bij deze kwalificatie?
  • Wanneer wordt een participatie als loutere belegging beschouwd en wat zijn de gevolgen     daarvan?
  • Wat zijn de concrete gevolgen van een foutieve kwalificatie voor dividenden en meerwaarden?
  • In welke mate is de DBI-aftrek nog een echte vrijstelling?
  • Welke impact heeft de rechtspraak van het Europees Hof van Justitie, in het bijzonder het     arrest Cockerill, op het DBI-stelsel?
  • Wat betekent de nieuwe afzonderlijke heffing van 5% op bepaalde meerwaarden in de     praktijk?
  • Hoe kan u discussies met de fiscus vermijden?
     
Fiscaal advocaat, vennoot bij het kantoor Cazimir
Prijs:
€ 165

Het seminarie duurt 2 uur. 

U heeft de keuze tussen: 

  • het seminarie FYSIEK volgen op locatie in BRUSSEL, of
  • het seminarie volgen via LIVESTREAMING (real time), of
  • het seminarie UITGESTELD bekijken (on demand). 


Iedere deelnemer ontvangt na het beantwoorden van de aanwezigheidsvragen en de afsluitende toets, zowel bij een seminarie op locatie, een real time- als een on-demand-seminarie, een attest erkend door de volgende instituten:

  • het ITAA (categorie A);
  • het I.B.R.;
  • het BIV (na goedkeuring);
  • de Vlaamse Balies;
  • de Nationale Kamer van Notarissen. 
-

Brussel - Odisee

Odisee Brussel

Stormstraat 2
1000 Brussel
België

Op map tonen

Bereikbaarheid: De campus is heel gemakkelijk te bereiken: te voet of met de fiets, met het openbaar vervoer, of met de auto.
Het station Brussel-Centraal ligt op wandelafstand van de campus. Om vanuit Brussel-Centraal tot aan de campus te geraken, volg je vanuit de grote hal van het station de Keizerinnenlaan. De vierde straat links is de Stormstraat.
De campus is vlot bereikbaar vanop de kleine ring rond Brussel.

Parking: de deelnemers aan de seminaries en de causerieën (met uitzondering van de Grondige Snelcursussen) ontvangen een gratis parkingticket dat enkel geldig is voor de volgende parkings:

 

PRINT

PRINT

-

Real time

Een realtimeseminarie wordt op een vooraf bepaalde dag en op een vaststaand tijdstip gegeven. Je kan rechtstreeks en interactief deelnemen. 

-

On demand

Een on-demand-seminarie is een opname van een seminarie. De deelnemer kan deze opname bekijken op een door hem/haar zelfgekozen tijdstip. 

DBI