Liquidatiereserve en VVPRbis in de praktijk: toepassingsgevallen, knelpunten en opportuniteiten
Stel
Een kmo-vennootschap heeft de voorbije jaren aanzienlijke winsten opgebouwd. De aandeelhouder wil deze in 2026 uitkeren, maar twijfelt: kiest hij voor een liquidatiereserve, voor VVPRbis of voor een gewoon dividend? Zijn er nog oude reserves die aan 5 %, 6,5 % of was het 9,8 % kunnen worden uitgekeerd? Is het 15 % of intussen 18 % binnenkort misschien 20 %? Heeft het nog zin om (vóór een algemene vergadering) te werken met een tussentijds of interimdividend? En wat als de fiscus achteraf van oordeel is dat de uitkering of vereffening hoofdzakelijk werd opgezet om een fiscaal voordeel te verkrijgen? De vragen zijn talrijk, en het verkeerde spoor kiezen kan vandaag leiden tot een fiscale kost die veel hoger uitvalt dan men op het eerste gezicht zou verwachten.
De voorbije maanden is het fiscale landschap rond liquidatiereserves en VVPRbis opnieuw grondig verschoven. De programmawet van 18 juli 2025 heeft daarbij belangrijke wijzigingen doorgevoerd. Zo werd de wachttermijn voor de liquidatiereserve in beginsel teruggebracht van vijf naar drie jaar maar kan vijf jaar ook nog steeds maar niet voor alle liquidatiereserves. Tegelijk werd het tarief bijgestuurd, waardoor het vroegere effectieve tarief van 13,64 % werd opgetrokken naar 15 %. Voor nieuw aangelegde liquidatiereserves betekent dit dat een uitkering binnen drie jaar kan leiden tot een totale belastingdruk van 36,36 %, waardoor de liquidatiereserve in bepaalde gevallen zwaarder kan uitvallen dan een gewoon dividend. In antwoord op een parlementaire vraag, is de minister het hiermee volmondig eens. Ook het VVPRbis-stelsel werd op verschillende punten bijgestuurd.
En daar bleef het niet bij. Met de programmawet van 30 mei 2026 werd de aangekondigde verstrenging effectief doorgevoerd. Het tarief van 15 % wordt daarbij opgetrokken naar 18 %. Voor het VVPRbis-stelsel gebeurt dit via een rechtstreekse verhoging van het dividendtarief tot 18 %, die op korte termijn doorwerkt. Voor liquidatiereserves vertaalt dit zich in een verhoging van de roerende voorheffing bij uitkering naar 9,8 %, bovenop de afzonderlijke heffing van 10 %. Gelet op de wachttermijn van drie jaar zal deze impact zich daar vooral op langere termijn laten voelen. Het onderscheid tussen oude en nieuwe reserves blijft daarbij van cruciaal belang.
Daarnaast voert de wetgever ook een aantal gerichte antimisbruikmaatregelen en technische correcties in. Zo wordt een specifieke bepaling ingevoerd waarbij een belastingplichtige die binnen drie jaar na een uitkering opnieuw een gelijkaardige activiteit opneemt als bedrijfsleider, het voordeel van het gunstregime kan verliezen. Ook wordt ingegrepen tegen artificiële aanpassingen van de afsluitdatum van het boekjaar die louter fiscaal geïnspireerd zijn. Tegelijk wordt de scharnierdatum voor bepaalde overgangsmaatregelen aangescherpt, waardoor het onderscheid tussen “oude” en “nieuwe” reserves en inbrengen nog aan belang wint.
In dit seminarie bekijken we het stelsel van de liquidatiereserve en VVPRbis daarom niet opnieuw in abstracto, maar vanuit de praktijk: wat is er veranderd, waar zitten vandaag de valkuilen, en hoe pas je de regels correct toe in concrete dossiers?
We vertrekken telkens vanuit herkenbare situaties uit de praktijk en beantwoorden onder meer volgende vragen:
- Is de liquidatiereserve vandaag nog wel interessant tegenover VVPRbis of een gewoon dividend? Wanneer is zij nog nuttig, en wanneer wordt zij fiscaal net duurder?
- Kan ik mijn 10% heffing nog recupereren bij een foutieve aanleg en wat wanneer ik verkeerdelijk mijn liquidatiereserve té vroeg uitkeer?
- Wanneer geldt nog het oude regime, en wanneer valt men al onder het nieuwe regime met 30 %, 6,5 % of zelfs 9,8 %? Welke rol speelt daarbij de datum waarop de reserve geacht wordt te zijn aangelegd?
- Hoe werken de overgangsregels precies voor liquidatiereserves die uiterlijk eind 2025 werden aangelegd, en voor VVPRbis-inbrengen van vóór 1 januari 2026?
- Wat betekent de harmonisatie in werkelijkheid? Is er echt gelijkstelling tussen liquidatiereserve en VVPRbis, of blijven er belangrijke verschillen bestaan inzake timing, flexibiliteit, administratieve last en risico’s?
- Wat is het belang van het FIFO-principe bij uitkeringen uit liquidatiereserves, en hoe beïnvloedt dat de praktische planning?
- Kan men nog anticiperen op tariefstijgingen? Wanneer biedt een tussentijds dividend of interimdividend nog mogelijkheden, en welke vennootschapsrechtelijke en fiscale aandachtspunten spelen daarbij?
- Hoe streng wordt het antimisbruikluik? Waar ligt de grens tussen legitieme planning en een constructie die volgens de fiscus of de rechtspraak te ver gaat?
- Wanneer kan nog een liquidatiereserve worden aangelegd in het zicht van een vereffening? Waar ligt de grens waarbij ingrepen in het boekjaar – zoals een inkorting ervan – als fiscaal misbruik worden beschouwd?
- Wat als na de vereffening dezelfde of gelijkaardige activiteit opnieuw opduikt in een andere vennootschap? Hoe werkt de nieuwe specifieke antimisbruikbepaling, en welk tegenbewijs is nog mogelijk?
- Kan men terugkomen op een eerdere keuze om al dan niet een liquidatiereserve aan te leggen, wanneer de fiscale context achteraf wijzigt?
- Wat met minder evidente situaties zoals holdings, successie- en familiale planningen, aandelensplitsingen, kapitaalverminderingen, inkoop eigen aandelen, of combinaties van verschillende uitkeringstechnieken?
Bijzondere aandacht gaat naar de praktische toepassingsgevallen waarin de keuze tussen liquidatiereserve, VVPRbis en gewone dividenduitkering vandaag het verschil maakt. Niet alleen de uiteindelijke fiscale druk is van belang, maar ook de timing van de uitkering, de impact van de overgangsregels, de administratieve verwerking, en de vraag of een gekozen techniek achteraf standhoudt bij controle. De recente wijzigingen tonen immers aan dat wie te snel schakelt of onvoldoende doordacht te werk gaat, onaangenaam verrast kan worden.
Dit seminarie richt zich tot wie de recente wijzigingen niet alleen wil kennen, maar ze vooral ook juist wil toepassen in concrete dossiers.
26/88 B - BRUSSEL | 7/12/2026 van 14.00 tot 17.30 uur | 9309
26/88 B - BRUSSEL | 7/12/2026 van 14.00 tot 17.30 uur In winkelkar:26/88 B - BRUSSEL | 7/12/2026 van 14.00 tot 17.30 uur
26/88 R - REAL TIME | 7/12/2026 van 14.00 tot 17.30 uur | 9331
26/88 R - REAL TIME | 7/12/2026 van 14.00 tot 17.30 uur In winkelkar:26/88 R - REAL TIME | 7/12/2026 van 14.00 tot 17.30 uur
26/88 O - ON DEMAND | Beschikbaar vanaf 9/12/2026 | 9332
26/88 O - ON DEMAND | Beschikbaar vanaf 9/12/2026 In winkelkar:26/88 O - ON DEMAND | Beschikbaar vanaf 9/12/2026
Het seminarie duurt 3,5 uur.
U heeft de keuze tussen:
- het seminarie FYSIEK volgen op locatie in BRUSSEL, of
- het seminarie volgen via LIVESTREAMING (real time), of
- het seminarie UITGESTELD bekijken (on demand).
Iedere deelnemer ontvangt na het beantwoorden van de aanwezigheidsvragen en de afsluitende toets, zowel bij een seminarie op locatie, een real time- als een on-demand-seminarie, een attest erkend door de volgende instituten:
- het ITAA (categorie A);
- het I.B.R.;
- het BIV (na goedkeuring);
- de Vlaamse Balies;
- de Nationale Kamer van Notarissen.
Brussel - Odisee
Stormstraat 2
1000 Brussel
België
Bereikbaarheid: De campus is heel gemakkelijk te bereiken: te voet of met de fiets, met het openbaar vervoer, of met de auto.
Het station Brussel-Centraal ligt op wandelafstand van de campus. Om vanuit Brussel-Centraal tot aan de campus te geraken, volg je vanuit de grote hal van het station de Keizerinnenlaan. De vierde straat links is de Stormstraat.
De campus is vlot bereikbaar vanop de kleine ring rond Brussel.
Parking: de deelnemers aan de seminaries en de causerieën (met uitzondering van de Grondige Snelcursussen) ontvangen een gratis parkingticket dat enkel geldig is voor de volgende parkings:
- Parking Grote Markt, Grasmarkt 104, Brussel (inrit rechtover het Centraal Station)
- Parking Munt, Muntplein 25, Brussel
- Parking Schildknaap, Schildknaapstraat 15-17, Brussel
Real time
Een realtimeseminarie wordt op een vooraf bepaalde dag en op een vaststaand tijdstip gegeven. Je kan rechtstreeks en interactief deelnemen.
On demand
Een on-demand-seminarie is een opname van een seminarie. De deelnemer kan deze opname bekijken op een door hem/haar zelfgekozen tijdstip.